K

Kai, Kaj, Kay, Kaylen - overwinnaar van het volk

Kalan, Kallan, Kailen - Krijger

Kalijn, Karen, Karijne, Karin - Rein, zuiver

Karel - Kerel

Karim, Karimah - Gevend, De Nobele

Kars, Karst, Karsten - De gezalfde, gezegende, aangewezene

Kas, Kasper - Schatbewaarder

Kassander, Kassandra Cassandra - Behoeder van de overwinning

Kaya - Wijs kind

Kaylee, Kayleigh - strijd, oorlog Kayleigh

Kees - De gehoornde

Keith - Bos

Kelley, Kellij, Kelly - Uit de oorlog komend

Kelsey - Eiland van de schepen, overwinning der schepen

Kelvin - Rivier in Schotland

Kenneth, Ken, Kennith, Kenny - Knap, mooi, krachtig

Kenric, Kenrich, Kenriek, Kenrik, Kenryk - Leider, held zonder angst, Koninklijk heerser

Kevin, Kevinn, Kavan, Kaven, Keven, Keveon - Knap bij geboorte

Kick, Kiki - De Gehoornde

Kilian - Man van de kerk

Kim - Oorlogsaanvoerder: Jongensnaam, Bosweide van Cyneburg: Meisjesnaam

Kimberley, Kimberly - Bosweide van Cyneburg

Kirsten, Kirstin, Kirsty - De gezalfde

Kiske - De gehoornde

Kjeld, Kjell - Offerschaal

Klaas, Klaske - Overwinnaar van het volk

Klari, Klaar, Klaartje, Klara, Klair  - Helder, glanzend, stralend, blinkend

Kloris - Groen, jong en bleek

Kniertje, Kunera - Geslacht of koen

Knud, Knut - Kind, ras van edel geslacht

Ko, Koos  - Hij die de hiel greep

Koen - Raadgever, Bekwaam in het raadgeven

Krijn - Lanszwaaier

Kris, Krista, Kriste, Kristel, Kristian, Kristianne, Kristie, Kristy - De gezalfde

Kristof, Kristopher - Drager van Christus

Kumara - Prins

Kylie - Smalle doorgang, boemerang, hout

Kyra - Heer, Zon, Troon